« Ga terug naar Uitgelicht - Personen
In Haarlem bezoekt Doelwijt van 1951 tot 1956 de HBS-A. Gedurende twee jaar volgt zij aan het Instituut voor Perswetenschappen in Amsterdam een journalistieke opleiding. In die periode is zij tevens werkzaam bij het Zutphens Dagblad en het Deventer Dagblad. Haar literaire debuut maakt zij in 1957 in het tijdschrift Klat. In 1958 maakt zij deel uit van de redactie van het literair maandblad Hoos.
Na afronding van haar journalistieke opleiding in Nederland wil zij in Suriname werken. Ze schrijft in 1961 naar alle in Suriname verschijnende kranten. De enige die reageert is Percy Wijngaarde, hoofdredacteur van het dagblad Suriname. In 1961 vertrekt zij naar Suriname waar zij - met een korte onderbreking in 1963 als zij in Nederland voor het weekblad Margriet werkt - tweeëntwintig jaar zal blijven.
In 1964 volgt zij een televisieopleiding bij de Surinaamse Televisie Stichting.
Doelwijt is een zeer waardevolle aanwinst voor het dagblad Suriname. Ze is nog geen jaar in Suriname of ze begint met een tienerpagina. Deze heeft zich in de loop van de tijd, onder verschillende namen, op een grote lezersdichtheid van vooral jongeren kunnen verheugen. Drie van de gevoerde titels zijn: 'Tieners.. Af dat masker', 'Tiener Pagina' en 'Wi foe Sranan' (Wij van Suriname).
Op de tienerpagina, die in de loop van de tijd wisselend op de donderdag en de vrijdag als bijblad van Suriname verschijnt, worden veel ingezonden artikelen van jongeren opgenomen. Doelwijt wil vooral jongeren stimuleren zelf te gaan schrijven. Steevast heeft zij een scholier als medewerker.
'Wi foe Sranan', begonnen voor jongeren, maar allengs een platform voor beginnende Surinaamse schrijvers en dichters, is de eerste literaire pagina in een Surinaams dagblad en zal van oktober 1967 tot eind mei 1969 tweewekelijks onder die naam verschijnen.
In 1968 maakt ze deel uit van de redactie van het tijdschrift Moetete en redigeert ze samen met Benny Ooft een bundel opstellen over migratie: De Vlucht.
Jonge auteurs van de Moetete-groep als Dobru, Russel, Mungroo, Cairo, Sombra (dan nog schrijvend onder zijn eigen naam Stanley Slijngard), Leo Ferrier, Paul Marlee en natuurlijk Thea Doelwijt zelf krijgen de gelegenheid hun werk te publiceren in Suriname, maar ook de oudere generatie van Eddy Bruma en Johanna Schouten-Elsenhout komt aan bod.
Ook dichter/schrijver Jozef Slagveer en Alphons Levens (later een van de redacteuren van Pipel) maken in dit blad hun debuut.
Het lukt Thea Doelwijt het ietwat saaie en intellectualistische imago van Suriname om te buigen tot een ook voor jongeren acceptabele krant.
Na 1970 legt Thea Doelwijt zich toe op freelance journalistiek en letterkundig werk.
Met haar dagbladrecensies speelt Doelwijt een belangrijke rol in het literaire leven in Suriname.
In september 1983 verruilt Doelwijt Paramaribo voor Amsterdam en verdiept zich onder meer in de situatie van migranten.
Werk van Doelwijt verschijnt in onder meer Soela, De Gids, Wending, Mutyama, De Groene Amsterdammer, Toneel Theatraal, de Ware Tijd Literair en De Tweede Ronde. Van 1988 tot 1992 schrijft zij een column voor het tijdschrift Mens & Gevoelens.
Werk van Thea Doelwijt
Doelwijt debuteert in Suriname met een verhaal in Bauxco Nieuws. Vervolgens verschijnen gedichten van haar in Soela en ziet de kleine dichtbundel De speelse revolutie in 1967 het licht. Haar eerste theaterstuk, het klank- en lichtspel Ballade in klank en kleur schrijft zij in 1967. Ze stelt enkele belangrijke bloemlezingen samen: Kri! kra! Proza van Suriname (1972), Geen geraas of getier (1974) en met Shrinivasi Rebirth in words (1981) en brengt veel literair werk, onder andere van Sophie Redmond, onder de aandacht van het lezend publiek.
Verschillende kinderboeken staan op haar naam, waaronder het op 'Indiaanse' vertellingen gebaseerde Kainema de Wreker en de menseneters (1977). Voorts schrijft zij het scenario voor de eerste Surinaamse speelfilm die voor televisie gemaakt wordt, Grootvaders klok van Sally Blik (1965).
In 1973 richt zij samen met regisseur Henk Tjon het Doe-theater op. In 1981 neemt zij deel aan het Caraïbische kunstfestival Carifesta IV op Barbados, waarover zij in hetzelfde jaar het 'ooggetuigeverslag' De grote Caraibische familie maakt.
Na de decembermoorden van 1982 blijkt het onmogelijk in Suriname kritisch theater te blijven maken. In september 1983 verhuist zij naar Amsterdam en verdiept zich onder meer in de situatie van de migranten. In 1987 schrijft zij het filmscenario 'Moeders en Dochters' voor Turkse en Marokkaanse vrouwen. Op uitnodiging van de regering verblijft ze in 1992, samen met Freek de Jonge, de theatergroep DNA en een schrijversgroep twee weken in Zuid-Afrika in het kader van de culturele uitwisseling tussen Nederland en Zuid-Afrika.
In 1987 schrijft zij het toneelstuk Iris, een felle aanklacht tegen het militaire bewind in Suriname.
Doelwijt richt in 1984 de groep Prépré-theater op en legt zich geheel toe op het schrijven van theater, proza en cultureel-educatief werk. In samenwerking met haar partner, neerlandica Marijke van Geest, vertaalt en bewerkt zij het Zuid-Afrikaanse stuk Egoli van Matsemela Manaka. In de jaren negentig schrijft zij voor de cabaretgroep De Suri's, met wie zij begin 1995 ook voor optredens naar Suriname terugkeert.
In 1974 ontvangt Thea Doelwijt in Suriname de Gouverneur Currie-prijs voor haar culturele werk. Het theaterspel Trawan prakseri (Andermans gedachten; 1982) wint een prijs op het theaterfestival van Avignon. Bij gelegenheid van tien jaar Radio Damsko So Mi Tan in 1989 krijgt zij in Amsterdam een Award voor haar verdiensten voor de Surinaamse cultuur. Sinds 1998 is zij lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Als writer-in-residence verzorgt Doelwijt belangrijke workshops in Suriname.