« Ga terug naar Uitgelicht - Thema's

In onderstaande tekst wordt verwezen naar archiefstukken afkomstig uit het Nationaal Archief (Den Haag), te herkennen aan 'NA-NL plus een inventarisnummer'. Een overzicht van deze archiefstukken zijn hier te bekijken, inclusief transcripties.


De eerste drukkers in Suriname

door Angelie Sens

Tot begin jaren zeventig van de achttiende eeuw wordt drukwerk bestemd voor Suriname in Nederland gedrukt en per schip naar de kolonie gebracht. Hierin komt verandering als mr. Wolphert Jacob Beeldsnyder Matroos in 1772 toestemming krijgt een drukkerij in Paramaribo op te richten. In 1774 rolt de eerste Surinaamse courant van de drukpers: de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant.
Twee jaar later verkoopt Beeldsnyder Matroos zijn drukkerij aan Nicolaas Vlier, die samen met zijn echtgenote Sara Johanna de Beer, deze courant voortzet. Als Vlier in 1781 overlijdt zet weduwe N. Vlier de zaak voort. In 1785 krijgt ze concurrentie van Willem Hendrik Poppelmann als ook hij een drukkerij start en een eigen courant uitgeeft: De Surinaamsche Nieuwsvertelder.
In 1792 verkoopt Poppelmann zijn drukkerij en courant aan Wolphert Weijer Beeldsnijder, die tot het einde van de achttiende eeuw actief is als drukker en krantenuitgever.



Wolphert Jacob Beeldsnyder Matroos

Utrecht 22 april 1742 - Den Haag, 1793

Wolphert Jacob Beeldsnyder Matroos is geboren te Utrecht op 22 april 1742 als zoon van mr. Tiberius Beeldsnyder Matroos en Catharina Margaretha, baronesse de Petersen. Vader Tiberius is onder meer kanunnik van het kapittel van Sint Jan te Utrecht, gerechtssecretaris, koopman en bankier. Hij is op 9 juli 1694 te Amsterdam gedoopt als zoon van Wolphert Beeldsnyder en Jacoba Matroos. De dubbele naam Beeldsnyder Matroos ontstaat dan.
Wolphert Jacob wordt op twintigjarige leeftijd in 1762 ingeschreven aan de Universiteit van Utrecht. Hij studeert hier rechten en zijn dissertatio verschijnt nog in hetzelfde jaar. Hij verwerft zich een positie bij de in Amsterdam zetelende Sociëteit van Suriname. Op 4 februari 1770 arriveert hij in Suriname met het schip 'Rebecca'.
Zijn eerste baan in Suriname is secretaris van het collegie van kleine (rechts)zaken. Van juni 1776 tot in september 1778 is Beeldsnyder Matroos met groot verlof in Nederland. Na terugkeer in Suriname wordt hij Boekhouder-Generaal. In 1783 wordt hij gouverneur ad interim, een ambt dat hij vervuld tot 24 december 1784. Het jaar daarop is hij ontvanger der In- en Uitgaande Rechten. Beeldsnyder Matroos is onder andere lid van de vrijmetselaarsloge Concordia.
Hij vertrekt in 1790 uit Suriname om er nooit meer weer te keren. Drie jaar later, in 1793, overlijdt hij in Den Haag.

De eerste drukker in Suriname

Als Beeldsnyder Matroos zo'n anderhalf jaar in Suriname is schrijft hij een verzoekschrift aan de Heren Directeuren van de Sociëteit van Suriname te Amsterdam. Hij vraagt "om authorisatie en privilegie tot het drukken van Archieven, Ordonantien etc.". Dit verzoek wordt op de vergadering van 6 november 1771 gepresenteerd en tijdens de vergadering van 3 juni 1772 goedgekeurd. Beeldsnyder Matroos krijgt voor 25 jaar "een privilegie van drukperse" (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 62).
Begin 1774 vraagt hij eenzelfde soort privilege, eveneens voor een periode van 25 jaar, om de stukken van de 'Hove van Politie en Crimineele Justitie' te mogen drukken (zie NA-NL 1.05.1001, inv.nr. 573 (1)). Het Surinaamse Gouvernement verleent hem dit. Beeldsnyder Matroos heeft vanaf dat moment het exclusieve recht op het drukken van deze en andere officiële stukken, zoals de zogeheten 'plakaten'.
In mei 1774 rolt het eerste door Beeldsnyder Matroos gedrukte plakaat van zijn pers. Beeldsnyder Matroos brengt voor vijftig exemplaren van dit plakaat (betreffende het houden van kruit en geweren op de plantages) f 15,- in rekening aan het gouvernement en hij heeft daarnaast het recht ze te verkopen aan het publiek à tien stuivers per stuk (zie NA-NL 1.05.1001, inv.nr. 573 (2)). Nog in diezelfde maand gaat het Hof van Politie en Criminele Justitie akkoord met een aanneemsom van f 1.000,-, waarvoor Beeldsnyder Matroos een jaar lang alle officiële drukwerk zal verzorgen (zie NA-NL 1.05.1001, inv.nr. 573 (3)). Tenslotte wendt Beeldsnyder Matroos zich in augustus 1774 nog eens tot het Surinaams bestuur en verzoekt hij een privilege, wederom voor 25 jaar, voor het drukken en uitgeven van een "weekelijks nieuwspapier of courant". Ook hiervoor krijgt hij toestemming. Beeldsnyder Matroos moet van elk exemplaar de eerste proef ter goedkeuring voorleggen aan de gouverneur of diens plaatsvervanger (zie NA-NL 1.05.1001, inv.nr. 573 (4)).
Deze privileges zijn behalve eervol vooral een manier om - zonder concurrentie - inkomsten te verwerven.

De eerste Surinaamse courant

Nog geen twee dagen na de toekenning van het privilege verschijnt op woensdag 10 augustus 1774 de eerste Surinaamse courant: de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant (WWSC). Deze een keer per week verschijnende courant bestaat uit vier pagina's.
Na twee jaar houdt Beeldsnyder Matroos het drukkersvak voor gezien. Hij verkoopt de drukkerij én zijn courant in 1776 aan Nicolaas Vlier. Reden voor de verkoop is hoogstwaarschijnlijk het groot verlof van Beeldsnyder Matroos. Hij vertrekt op 11 juni 1776 met de 'vrouwe Françoise Hermina' naar Amsterdam, "meedenemende de neger Coffie van de wed. Kennedy", en keert met de 'Anna Elisabeth' terug op 23 september 1778, "Met zijn neger Coffie". In die periode regelt hij zijn zaken vanuit het moederland.
Nicolaas Vlier is in 1776 ook in Nederland en is op 7 september 1776 weer terug in Paramaribo. Het ligt voor de hand dat Vlier in Nederland zaken heeft gedaan met Beeldsnyder Matroos. De verkoop van de drukkerij is hoogstwaarschijnlijk in Amsterdam beklonken. Vlier beschikt kennelijk over voldoende middelen om de drukkerij te kopen en de WWSC uit te geven en te drukken. De verkoopprijs weten we niet, maar we weten wel dat Beeldsnyder Matroos met Vlier overeenkomt dat de laatste hem 2.800 gulden - extra - betaalt. Dit bedrag is het jaarsalaris dat Vlier krijgt voor zijn functie als 'Commies'. Overeengekomen wordt dat het geld wordt ingehouden en dat het in één jaar afgelost wordt in drie termijnen van vier maanden (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 67 (1) en NA-NL 1.05.03, inv.nr. 67 (2)).
Het is niet duidelijk of Vlier tegelijkertijd met de koop van de drukkerij het privilege van Beeldsnyder Matroos verwerft of dat hij een eigen privilege krijgt.



Nicolaas Vlier

Amsterdam, 1730/1- Paramaribo, begin juli 1781


Nicolaas Vlier vertrekt in het najaar van 1770 vanuit Amsterdam naar Suriname. Hij reist met het schip 'de vrouw Elisabeth' en dit komt op 24 september 1770 aan in Suriname. Als beroep geeft Vlier op 'Commies der vivres' (een functionaris belast met de aanvoer van levensmiddelen), een beroep dat hij in elk geval in 1777 nog uitoefent.
In 1773 huwt Nicolaas, hij is dan begin veertig, met de te Paramaribo geboren twintig jaar jongere plantersdochter Sara Johanna de Beer (1749/50-?). Het huwelijk wordt voltrokken op de plantage van haar ouders: plantage Dordrecht aan de Surinamerivier, die een jaar daarvoor verhypothekeerd is. Sara's stiefvader, Pieter van Akeren, schenkt Nicolaas f 3.000 rond die tijd. Het echtpaar Vlier-De Beer krijgt in snel tempo zeven kinderen.
In 1776 reist Vlier op en neer naar Nederland. Wanneer hij precies vertrekt weten we niet, maar hij is op 7 september 1776 weer terug in Paramaribo, komende vanuit Amsterdam met het schip Petrus Alexander. Het ligt voor de hand dat Vlier in Nederland zaken heeft gedaan met Beeldsnyder Matroos. De verkoop van de drukkerij is hoogstwaarschijnlijk in Amsterdam beklonken. Vlier beschikt kennelijk over voldoende middelen om de drukkerij te kopen en de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant uit te geven en te drukken. De verkoopprijs weten we niet, maar we weten wel dat Beeldsnyder Matroos met Vlier overeenkomt dat de laatste hem 2.800 gulden - extra - betaalt. Dit bedrag is de gage die Vlier jaarlijks krijgt voor zijn functie als 'Commies'. Overeengekomen wordt dat de gage van Vlier wordt ingehouden en dat dit bedrag in één jaar afgelost wordt in drie termijnen van vier maanden (zie NA-NL, 1.05.03, inv.nr. 67).
Het is niet duidelijk of Vlier tegelijkertijd met de koop van de drukkerij het privilege van Beeldsnyder Matroos verwerft of dat hij een eigen privilege krijgt. Duidelijk is wel dat de naam Nicolaas Vlier en zijn 'Geprivilegeerde Societeyts en Lands Boekdrukkery' vanaf april 1777 op de WWSC staat.
Als Vlier in 1781 overlijdt, gaat de drukkerij over op zijn weduwe, Sara de Beer, die de zaak voortzet. Voortaan prijkt haar naam - weduwe Nicolaas Vlier - op de WWSC. Vlier heeft kennelijk aanzien, respect en een zekere mate van rijkdom verworven in de jaren zeventig, wat onder andere blijkt uit het feit dat hij op fort Zeelandia begraven wordt. Tot 1785 zijn Vlier, en vanaf 1781 zijn weduwe, de enige drukkers in de kolonie; ze verzorgen alle drukwerk, inclusief de wekelijkse courant.


Sara Johanna de Beer

Paramaribo 1749/1750 - Paramaribo na 1811


Sara Johanna de Beer is de dochter van Joost de Beer (?-1756) en Anna Cornelia van Echten (1716-1782). Na het overlijden van haar man wordt Anna Cornelia eigenaar van de koffiegrond Berensrust. Zij hertrouwt in 1762 met Pieter van Akeren (?-1779), die eigenaar is van de koffieplantage Dordrecht aan de Surinamerivier. Van Akeren leeft op grote voet en geniet van het stadsleven van Paramaribo. Dat zal een van de redenen zijn waarom hij Dordrecht in 1772 verhypothekeert bij een Amsterdams negotiatiefonds. Van Akeren komt zijn verplichtingen niet na. In 1783 wordt de plantage overgenomen door een ander fonds. In 1784 zetten de fondsdirecteuren Dordrecht te koop (NA-NL, 1.01.05, inv.nrs. 9600-9601 / niet digitaal beschikbaar). Wat er met Berensrust in de tussentijd gebeurt is niet duidelijk. In 1793 is deze eigendom van het negotiatiefonds van H. van der Poll.

Sara Johanna de Beer gaat als jong meisje met haar "negerin Dido" naar Nederland. Ze vertrekt op 10 juni 1763 en blijft er waarschijnlijk zo'n vier jaar. Haar moeder reist haar, met haar tweede dochter Cornelia, in mei 1766 achterna. Gevieren - moeder, twee dochters en Dido - zijn ze op 20 oktober 1767 weer terug in Suriname. Wat ze in Nederland gedaan hebben, weten we niet.
Begin 1773 gaat Sara de Beer met Nicolaas Vlier in ondertrouw en het huwelijk wordt enkele weken later voltrokken op plantage Dordrecht. Sara's moeder en stiefvader zijn getuige. Het echtpaar Vlier-De Beer krijgt in snel tempo zeven kinderen.
Door haar huwelijk wordt Sara in 1773 meerderjarig (de leeftijd voor meerderjarigheid is in die tijd 25) en komt haar erfdeel van haar biologische vader, Joost de Beer, formeel beschikbaar. Kennelijk proberen Nicolaas en Sara dit geld, een bedrag van 12.569 gulden, in 1773 los te krijgen van haar (stief)ouders. Maar het wordt niet uitgekeerd. Stiefvader Pieter van Akeren schenkt Nicolaas wel f 3.000 rond die tijd.
Als Vlier in 1781 overlijdt, staat Sara er alleen voor. Zij zet de drukkerij voort en voortaan prijkt haar naam - weduwe Nicolaas Vlier - op de Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Vlier heeft kennelijk aanzien, respect en een zekere mate van rijkdom verworven in de jaren zeventig, wat onder andere blijkt uit het feit dat hij op fort Zeelandia begraven wordt. In 1782 overlijdt haar moeder Anna Cornelia van Echten. Twee jaar later, als plantage Dordrecht te koop staat, meldt Sara zich. Zij eist haar vaderlijk erfdeel van 12.569 gulden op uit de opbrengst van de verkoop. De waarde van Dordrecht wordt geschat op 163.602 gulden. Het negiotiatiefonds betwist haar recht en spant een proces tegen haar aan bij de Staten-Generaal in Nederland (NA-NL, 1.01.05, inv.nrs. 9600-9601 / niet digitaal beschikbaar).

Sara de Beer heeft financiële problemen. In 1785 moet ze haar drukpers verkopen en in 1789 - delen van - haar boedel. Ondanks de verkoop van haar drukpers (aan W.H. Poppelmann), blijft ze actief als drukker en uitgever. Kennelijk heeft ze een andere pers gekocht.
Sara krijgt er in februari 1786 nog een kind bij: Adriana Anna Alberta. De vader is Isaac Tresfon jr. (1751-1786). Het is een 'onecht' kind, omdat Sara en Isaac nog niet getrouwd zijn als het geboren wordt. Dat doen ze op 10 maart 1786. Het huwelijksgenot is van korte duur. Isaac overlijdt enkele maanden later (rond 23 juli 1786). Weduwe N. Vlier wordt weduwe J. Tresfon jr.
In maart 1787 duikt de naam van de weduwe Tresfon jr. op in de stukken van Gouverneur en Raden en de Sociëteit van Suriname. Zij wordt als drukker/uitgever genoemd van De Surinaamsche Spectator, een blad waarvan voor zover bekend geen exemplaren bewaard zijn gebleven. Gouverneur en Raden manen haar, als verantwoordelijke voor de inhoud van het blad, zich voortaan te onthouden van uitlatingen die "strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst" zijn. Het blijft bij een - milde - waarschuwing (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 178).
Uit een krantenbericht van maart 1789 blijkt dat Sara slaven uit de gezamenlijke boedel van haar overleden man Tresfon en haarzelf in de aanbieding heeft, onder wie "Jauw, Letterzetter, Drukker, kan Lezen en Schryven". Haar financiële noden worden bevestigd door een brief van gouverneur Wichers. In augustus 1786 schrijft hij te willen voorkomen dat Sara en haar kinderen steun uit de armenkas zullen trekken (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 386).

Ondanks het feit dat ze midden jaren tachtig enkele moeizame jaren kent, blijft Sara de Beer in bedrijf. Zij is tussen 1776 en 1809 (mede)verantwoordelijk voor minstens zes verschillende Surinaamse periodieken: de Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant (1774-1790), het weekblad De Surinaamsche Spectator (1787), de Surinaamsche Courant (1790-1795), het weekblad de Saturdagsche Courant van Nieuws, Smaak en Vernuft (1794) en het decennium daarna de Bataafsche Surinaamsche Courant (1804-1806) en de Binnenlandsche Surinaamsche Courant (1804-1809), de laatste twee met de spreuk 'Labor improbus omnia vincit' ('Noeste arbeid overwint alles').
Wanneer Sara overlijdt weten we niet, maar bij de volkstelling van 1811 leeft ze in elk geval nog.


Willem Hendrik Poppelmann

Circa 1750


Willem Hendrik Poppelmann is naar we aannemen in Nederland geboren. Er zijn geen exacte gegevens over zijn leefjaren bekend. Het gezin Poppelmann, man, vrouw en acht kinderen, arriveert op 14 december 1770 in Suriname. Willem Hendrik is de oudste en zal rond de 20 jaar oud zijn geweest.
De ouders van Poppelmann repatriëren met zes van hun acht kinderen (Willem Hendrik blijft in Paramaribo) in 1776 naar Nederland en gaan in Alkmaar wonen, zoals blijkt uit de bekendmaking van hun overlijden in de kerk te Paramaribo; zijn moeder Dorothea Catharina Maria Schlutez overlijdt op 3 juni 1777 en zijn vader Louis Poppelmann, tijdens zijn verblijf in Suriname 'ontvanger der hoofdgelden', op 12 oktober 1779.
Poppelmann trouwt in 1781 met Petronella Reuvekamp. Ze krijgen vijf kinderen, van wie er twee, de oudste zoon en het tweede dochtertje, op jonge leeftijd overlijden.

Poppelmann, die in 1777 zijn vader Louis opvolgt als 'Ontvanger der Hoofdgelden', ontpopt zich in de jaren tachtig als een druk bezet drukker en uitgever. Hij is degene die in 1785 ter veiling de drukpers van Sara de Beer, dan nog weduwe Vlier, koopt voor het niet misse bedrag van 5700 gulden. Op 9 juni 1785 verschijnt het eerste nummer van zijn De Surinaamsche Nieuwsvertelder, die wekelijks op donderdag verschijnt, de eerste concurrent van de Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Op 7 september 1785 kennen de Directeuren van de Sociëteit van Suriname hem een drukprivilege toe dat persoonsgebonden en niet met uitsluiting van anderen is.
Poppelmann is de drukker van een aantal niet zelden spraakmakende Surinaamse periodieken, zoals de hiervoor genoemde vanaf 1785 verschijnende De Surinaamsche Nieuwsvertelder, de serie Letterkundige Uitspanningen van het Genootschap De Surinaamsche Lettervrinden (onder de zinspreuk: "Zo werd in dit Gewest, gelyk aan Bato's strand, De Zucht tot Weetenschap en Kunsten voortgeplant"), het tijdschrift De Surinaamsche Artz (1786-1788) en in 1788 de Surinaamsche Almanach op het jaar onzes Heere Jesu Christi, anno 1789 [1788]. Hij is ook degene die het weekblad de Surinaamsche Rhapsodist drukt vanaf maandag 2 juni 1788. We weten niet hoe het met dit tijdschrift afloopt, er zijn geen exemplaren van bekend.
Poppelmann is niet alleen drukker en uitgever, maar begeeft zich ook in het culturele leven in Paramaribo. Zo prijkt zijn naam in 1786 op de ledenlijst van het 'Genootschap De Surinaamsche Lettervrinden'.

In 1785 en 1786 wendt Poppelmann zich tot de Directeuren van de Sociëteit van Suriname in Amsterdam (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 383 en NA-NL 1.05.03, inv.nr. 386). Kort nadat Sara de Beer haar drukpers aan hem verkoopt, is zij volgens Poppelmann een nieuwe drukkerij aan het opzetten met hulp van de 'Eerste Exploicteur' (te vergelijken met een deurwaarder) van Suriname, Unico Wilkens (1736-1793). Ze is dan zwanger van het kind van Isaac Tresfon jr. Medio december 1785 heeft zij - wederom - het recht verworven om overheidsdocumenten van zowel de Sociëteit van Suriname als de Surinaamse overheid te drukken. Eind 1785 hebben dus zowel Poppelmann als Sara de Beer een privilege. Hij vindt dit oneerlijke concurrentie en hoopt dat de Heren in Amsterdam hier een stokje voor kunnen steken. Wat Poppelmann eigenlijk wil is een exclusief privilege van 25 jaar zoals Beeldsnyder Matroos dat begin jaren zeventig verwerft. Dat krijgt hij dus niet (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 383).
In augustus 1786 dient hij een nieuw verzoek in. Poppelmann is in de veronderstelling dat hij door de koop van de drukpers van Sara de Beer tevens het exclusieve privilege koopt dat op die pers zou rusten. Daarom betaalt hij het hoge bedrag van 5700 gulden, in zijn woorden: "méér dan tweederde van de innerlijke waarde". Desondanks is Sara de Beer gewoon doorgegaan met het drukken van de Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant, mét vermelding van haar privilege. Poppelmann heeft hierin berust omdat hij het niet over zijn hart kan verkrijgen "eene nooddruftige vrouw en kinderen" het brood uit de mond te stoten.
Na het overlijden van haar tweede echtgenoot, J. Tresfon jr., komt Unico Wilkens op de proppen met een onderhands koopcontract dat reeds voor het overlijden van Tresfon jr. is afgesloten en waarmee hij de betreffende drukpers opeist. Sara heeft kennelijk haar pers twee keer verkocht!
Poppelmann vindt dat er in de kolonie Suriname plaats is voor maar één drukkerij, gezien het geringe aantal blanken dat gebruik maakt van de producten van de drukpers. Er zullen nooit voldoende drukopdrachten zijn om meerdere drukkerijen rendabel te maken. Daar komt bij dat Poppelmann naar eigen zeggen reeds twaalfduizend gulden heeft geïnvesteerd in zijn drukkerij. Des te meer reden om hem het exclusief privilege te gunnen.
Poppelmanns rekest gaat vergezeld van een advies van gouverneur Wichers richting Amsterdam. Wichers weerlegt het argument van Poppelmann dat Kunsten en Wetenschappen bij een drukmonopolie het best tot hun recht komen, integendeel zelfs. Maar Poppelmann heeft wel gelijk als hij schrijft dat twee drukpersen in zo'n kleine koloniale samenleving te veel is. Wichers meent verder dat het een kostbare zaak is om een drukkerij te exploiteren, vooral gezien de loonkosten. Hij stelt voor het recht tot drukken van de voormalige weduwe Vlier in te trekken. Om ervoor te zorgen dat de weduwe en haar kinderen niet ten laste komen van de armenkas, moet Poppelmann haar jaarlijks vijfhonderd gulden betalen, haar hele leven lang. Poppelmann zou dan voor tien jaar een exclusief privilege kunnen krijgen, mits van overheidswege het drukloon vastgelegd wordt om op die manier monopolievorming te voorkomen (zie NA-NL 1.05.03, inv.nr. 386 ).
Het advies van Wichers wordt kennelijk niet overgenomen door de Heren te Amsterdam. Zowel Poppelmann als Sara de Beer drukken hun couranten in de jaren erna. Sara de Beer drukt haar WWSC zover we kunnen nagaan zonder privilege - in de bekende exemplaren uit 1788 vermeldt zij in elk geval geen privilege meer - maar ze krijgt wel advertenties en bekendmakingen van de overheid ter plaatsing aangeboden. Poppelmann daarentegen vermeldt wel een privilege op zijn Surinaamsche Nieuwsvertelder.

Poppelmann trekt zich in 1792 terug uit het drukkersvak. Hij verkoopt zijn drukkerij in augustus 1792 aan Wolphert Weijer Beeldsnijder (1764-18??), blijkens berichten in De Surinaamsche Nieuwsvertelder. Maar Poppelmann zit niet stil. In 1793 komen we hem tegen als 'Boekhouder-Generaal'. In de almanak van 1793 prijkt zijn naam bij enkele plantages: hij is eigenaar van de houtplantage 'Mastricht' aan de 'Marschalks kreek' (Marechalskreek), van de koffie- en katoenplantage 'Mislukt Bedrog' aan de Tapoeripakreek en van lot-nummers 5 en 6 aan de Combe.


Wolphert Weijer Beeldsnijder (ook Weijer Wolphert)

Curaçao 1764 - Paramaribo 18??

Wolphert Weijer Beeldsnijder, afkomstig van Curaçao en zoon van M.F. Beeldsnijder, trouwt op 22-jarige leeftijd in 1786 met J.F.E. Muntz. Het echtpaar krijgt vier kinderen.

In augustus 1792 neemt Beeldsnijder de drukkerij van Willem Hendrik Poppelmann over, blijkens berichten in De Surinaamsche Nieuwsvertelder van 9 augustus 1792. Beeldsnijder wijzigt nog geen jaar later de titel van Poppelmanns courant in Weeklyksche Surinaamsche Courant (WSC), waarvan nummer 1 op 4 juli 1793 verschijnt en die elke donderdag uitkomt. Beeldsnijder heeft namelijk het fel begeerde privilege gekregen van de Heren van de Sociëteit van Suriname. Hij laat niet na dit met trots te vermelden in zijn bericht aan de lezers.
Omdat Beeldsnijder verwacht niet alle kopij kwijt te kunnen in zijn 8 pagina's tellende WSC, zal hij tevens een maandblad gaan uitgeven. Een maand later is dit nieuwe blad, de Surinaamsche Bibliotheek, een feit. Beeldsnijder maakt veel reclame voor dit periodiek dat "boven al van zeer veel dienst wezen [kan] voor Lieden, die genoodzaakt zyn voor het meeste gedeelte hun verblyf op Plantage te houden, en dus de Couranten en andere Nieuwstydingen niet regulier kunnen bekomen." Helaas is van dit blad geen exemplaar bekend. De opmerking van Beeldsnijder geeft wel aan dat de distributie buiten Paramaribo te wensen overlaat. Zeker is het niet, maar het lijkt erop dat de Surinaamsche Bibliotheek, ondanks het enthousiasme van Beeldsnijder, geen al te lang leven beschoren is.
Het is ook W.W. Beeldsnijder die van 1797 tot 1805 de op dinsdag en vrijdag verschijnende Surinaamsche Courant en Algemeene Nieuwstijdingen voor zijn rekening neemt; aannemelijk is dat deze weer de opvolger is van zijn Weeklyksche Surinaamsche Courant.
Beeldsnijder is lid van het Departement Paramaribo van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, een genootschap dat in 1784 in Nederland wordt opgericht.


Bronnen:
Nationaal Archief Den Haag, diverse toegangen en inventarisnummers
www.nationaalarchief.nl/koloniaal_suriname, database Gereformeerden 1688-1792
www.nationaalarchief.sr
www.surinaamsegenealogie.nl